56_2024-2025/120 - Erfrecht bij nieuw samengestelde gezinnen
Pétitions
U kan deze petitie niet steunen.
56_2024-2025/120 - Erfrecht bij nieuw samengestelde gezinnen
In een traditioneel gezin (kerngezin) is de helft van de nalatenschap voorbehouden aan de kinderen en afhankelijk van het gekozen huwelijksstelsel of al dan niet wettelijk samenwonen, krijgt de langst levende echtgenoot/echtgenote het vruchtgebruik over een deel van of de volledige nalatenschap. De partner kan kiezen om te genieten van het vruchtgebruik en zo bijvoorbeeld in de gezinswoning blijven wonen of een omzetting vragen door goederen te verkopen. Voor kinderen binnen dit gezin is er 1 zekerheid: het vermogen blijft binnen de familie en komt op een dag hen toe.
Bij nieuw samengestelde gezinnen is dit niet zo. Wanneer de vruchtgebruiker een omzetting eist, worden de goederen in vruchtgebruik omgezet in een som geld waar de vruchtgebruiker vrij over kan beschikken én die nooit meer terugkomt naar de biologische kinderen van de overledene. Sterker nog, het zullen de stiefkinderen van de overledene zijn die uiteindelijk dit vermogen erven. Nochtans voorziet de wet dat de plusouder zijn niet-biologische kinderen kan laten erven, dus als dit de wens is van de plusouder, kan hij hier bij leven de nodige stappen voor ondernemen.
Ik kan mij voorstellen dat het een bron van vele rechtszaken is, een extra werkdruk op de hoven en rechtbanken, die mogelijks mits aanpassing van de wetgeving kan vermeden worden. Biologische kinderen zouden erfrechtelijk niet anders mogen behandeld worden door het aangaan van een huwelijk of wettelijk samenwonen van hun ouder met een nieuwe partner. Het aandeel van de nalatenschap dat in beheer van de niet-biologische ouder komt, zou bij zijn/haar overlijden terug moeten keren naar de biologische kinderen.
Dit initiatief is beantwoord:
Tijdens haar vergadering van 14 januari 2026 heeft de commissie voor Verzoekschriften deze petitie overgezonden aan de commissie voor Justitie en aan de minister van Justitie, belast met Noordzee.
Antwoord van de minister van Justitie, belast met Noordzee (15/04/2026):
We hebben het verzoekschrift van 12 september 2025, onder nummer 56_2024-2025/120, van mevrouw Sofie WAUTERS goed ontvangen.
De verzoekster wil de aandacht vestigen op het feit dat in traditionele gezinnen het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot de overgang van het vermogen naar de biologische kinderen verzekert. In nieuw samengestelde gezinnen echter, wanneer de vruchtgebruiker een omzetting vraagt, worden de met vruchtgebruik bezwaarde goederen omgezet in een geldsom waarover de vruchtgebruiker vrij kan beschikken, soms ten nadele van de kinderen van de erflater, of zelfs ten voordele van de eigen kinderen. De verzoekster is van mening dat een dergelijke situatie een ongelijke behandeling tussen biologische kinderen doet ontstaan wanneer een van hun ouders in het huwelijk treedt of wettelijk gaat samenwonen met een nieuwe partner, en werpt de vraag naar een eventuele aanpassing van de wetgeving op.
Deze materie is in wezen geregeld in de artikelen 4.60 tot en met 4.64 van het Burgerlijk Wetboek.
De materie van het erfrecht is ingrijpend hervormd bij de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake. Met de aanneming van de voormelde wet van 31 juli 2017 lag het in de bedoeling van de wetgever om het erfrechtelijk systeem dat was vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek van 1804 te moderniseren.
Wat nu specifiek het erfrecht van de langstlevende echtgenoot betreft, heeft de wetgever ervoor gekozen om het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot te behouden, ook in nieuw samengestelde gezinnen, middels aangepaste nadere regels voor de aanrekening en omzetting van het vruchtgebruik in dat geval. Aldus maakt de wetgever voortaan een onderscheid al naargelang de langstlevende echtgenoot zich in samenloop bevindt met afstammelingen die de erflater en hijzelf gemeen hebben, of met niet-gemeenschappelijke afstammelingen .
De nadere regels voor de omzetting van het erfrechtelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot blijven ongewijzigd in geval van samenloop tussen de langstlevende echtgenoot en afstammelingen die de erflater en hijzelf gemeenschappelijk hebben.
Indien er sprake is van niet-gemeenschappelijke afstammelingen, zijn de nadere regels en de procedure voor omzetting verschillend. Artikel 4.61 van het nieuw Burgerlijk Wetboek regelt specifiek, en onder bepaalde voorwaarden, de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot in samenloop met afstammelingen uit een andere verbintenis van de erflater. De wetgever heeft een recht op omzetting toegekend, uit hoofde van zowel de langstlevende echtgenoot ais de niet-gemeenschappelijke beoordelingsbevoegdheid kinderen of afstammelingen, zonder van de rechter (met uitzondering van de preferentiële goederen, waarbij de langstlevende echtgenoot het vetorecht behoudt om zich te verzetten tegen de omzetting van het vruchtgebruik).
Overeenkomstig artikel 4.23, § 6, van het Burgerlijk Wetboek worden dezelfde regels inzake de omzetting van het vruchtgebruik naar analogie uitgebreid tot het vruchtgebruik van de langstlevende wettelijk samenwonende.
De wetgever wou mogelijke spanningen tussen de langstlevende echtgenoot en de kinderen van de erflater trachten te voorkomen of verlichten, zonder het erfrecht van elkeen in het gedrang te brengen. ln het kader van de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 juli 2017 wordt aldus uiteengezet wat de wetgever met die hervorming heeft beoogd: "ln hersamengestelde gezinnen is het wettelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot in samenloop met afstammelingen van de erflater vaak een bron van conflicten. De niet-gemeenschappelijke kinderen worden dan geconfronteerd met een stiefouder die het vruchtgebruik heeft over de gehele nalatenschap (zie art.745bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek). De voorgestelde hervorming wil hier een oplossing voor bieden, zonder evenwel (i) de bestaande evenwichten tussen het erfrecht van de langstlevende echtgenoot en het erfrecht van de kinderen te verstoren; en (ii) de bescherming van de leefomgeving van de langstlevende echtgenoot in het gedrang te brengen." (memorie van toelichting, Parl. St. Kamer 2016-2017, nr. 54-2282/001, blz. 30).
De wetgever, zich terdege bewust van de conflicten die kunnen ontstaan bij een erfopvolging binnen een nieuw samengesteld gezin, heeft met die hervorming een oplossing willen aanreiken aan de verschillende erfgenamen van de erflater, door hen het recht te verlenen om de omzetting van het vruchtgebruik te eisen.
ln het licht van het voorgaande zijn we derhalve van mening dat het, in de huidige stand van de wetgeving, niet nodig is om het erfrecht te wijzigen voor wat dit aspect betreft.
We hopen u hiermee van dienst te zijn.
Merde meeste hoogachting,
Annelies Verlinden
Deel: