55_2023-2024/57 - Bankdiensten in alle landstalen
Pétitions
U kan deze petitie niet steunen.
55_2023-2024/57 - Bankdiensten in alle landstalen
Aan de Kamer wordt gevraagd om aanbieders van bankdiensten te verplichten hun aanbod in alle Belgische landstalen aan te bieden, waardoor ook Duitstalige Belgen zonder belemmeringen toegang krijgen tot financiële producten en de discriminatie van taalminderheden wordt weggewerkt.
Oorspronkelijke tekst:
Bankdienstleistungen in allen Landessprachen
Derzeit bieten Großbanken bis hin zu Neobrokern ihre Produkte oftmals nur auf Flämisch und Französisch an. Aufgrund der Sprachbarriere werden deutschsprachige Bürger insbesondere in der deutschsprachigen Gemeinschaft von einem großen Teil des Finanzmarkts ausgeschlossen.
Anbieter von Bankdienstleistungen sind zu verpflichten, ihre Angebote in allen belgischen Landessprachen anzubieten und ein barrierefreies Angebot für alle Bürger zu schaffen.
Dies fördert die Chancengleichheit und reduziert die Diskrimierung von sprachlichen Minderheiten.
Dit initiatief is beantwoord:
Tijdens haar vergadering van 6 november 2024 heeft de commissie voor Verzoekschriften deze petitie overgezonden aan de commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen, aan de commissie voor Economie, Consumentenbescherming en Digitalisering, aan de staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit, toegevoegd aan de minister van Mobiliteit en aan de vice-eersteminister en minister van Economie en Werk.
Antwoord van de staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit, toegevoegd aan de minister van Mobiliteit en aan de vice-eersteminister en minister van Economie en Werk:
Het is met bijzondere aandacht dat ik kennis heb genomen van uw brief van 13 november jl. over bovenvermeld onderwerp.
De indiener van het verzoekschrift lijkt te impliceren dat het feit dat aanbieders van bankdiensten hun aanbod in ons land niet systematisch in het Duits aanbieden een discriminatie op grond van taal uitmaakt.
De wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (de zgn. antidiscriminatiewet) verbiedt discriminatie op grond van een heel aantal beschermde criteria, waaronder taal.
Dit betekent evenwel niet dat elk onderscheid dat gemaakt wordt op basis van een beschermd criterium een discriminatie inhoudt. De term discriminatie wordt gehanteerd om een onderscheid aan te duiden, direct of indirect, op basis van een of meer beschermde criteria, dat niet kan worden gerechtvaardigd onder de bepalingen van de antidiscriminatiewet.
Onder “direct onderscheid” begrijpt de antidiscriminatiewetgeving de situatie die zich voordoet wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een beschermd criterium. Er is sprake van een “indirect onderscheid” wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen gekenmerkt door een bepaald beschermd criterium, in vergelijking met andere personen bijzonder kan benadelen. “Directe, resp. indirecte discriminatie” is dan een direct, resp. indirect onderscheid op grond van een beschermd criterium, dat niet gerechtvaardigd kan worden op grond van de bepalingen van de antidiscriminatiewet (zie hieronder over de rechtvaardigingsgronden).
Het is vanzelfsprekend niet aan mij om te bepalen of de door de indiener aangehaalde situatie, die overigens algemeen is omschreven en geen specifiek geval betreft, al dan niet een discriminatie inhoudt. Het komt daarentegen aan de rechter toe om te beoordelen of er in een concreet geval sprake is van een toelaatbaar onderscheid dan wel een ongeoorloofde discriminatie. De rechter zou dan meer bepaald moeten uitmaken of het feit dat een aanbieder van bankdiensten zijn aanbod niet in het Duits aanbiedt een direct of indirect onderscheid op grond van taal inhoudt, dat al dan niet gerechtvaardigd kan worden op grond van de bepalingen van de antidiscriminatiewet.
Een direct of indirect onderscheid op grond van taal dat wordt gemaakt bij de toegang tot en het aanbod van diensten – waaronder het aanbieden van bankdiensten valt – kan volgens de antidiscriminatiewetgeving enkel objectief worden gerechtvaardigd door een legitiem doel waarbij de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk moeten zijn. Dit is de zgn. proportionaliteits- of evenredigheidstoets, die in concreto door de rechter wordt doorgevoerd.
In de eerste plaats moet worden nagegaan of er met het onderscheid een legitiem doel wordt nagestreefd. Noch in de antidiscriminatiewet, noch in de parlementaire voorbereiding wordt nader omschreven waarin een legitiem doel bestaat. Het is aan de rechter om dit begrip in te vullen. De taalvrijheid zoals voorzien in artikel 30 van de Grondwet (zie hieronder) en de vrijheid van ondernemerschap zouden mogelijks in aanmerking kunnen worden genomen als een legitieme reden voor het rechtvaardigen van een onderscheid tussen Duitstalige en andere consumenten.
Vervolgens moet worden onderzocht of de middelen passend en noodzakelijk zijn voor het bereiken van dat doel. Dragen de middelen bij tot het verwezenlijken van het gestelde doel? Zijn er geen andere middelen mogelijk die even doeltreffend zijn met betrekking tot het beoogde doel en die minder discriminerende gevolgen hebben voor de personen die door de maatregelen worden getroffen? Dienaangaande zou bijvoorbeeld overwogen kunnen worden dat bepaalde basisinformatie over de aangeboden bankproducten op zijn minst toegankelijk zou moeten zijn in alle landstalen.
In elk geval zijn private financiële instellingen momenteel door de wet niet verplicht om hun aanbod en diensten in de drie landstalen aan te bieden. Integendeel, ter zake geldt de taalvrijheid, die expliciet wordt gewaarborgd door artikel 30 van de Grondwet.
Op deze taalvrijheid gelden een aantal uitzonderingen die voortvloeien uit de taalwetgeving in het bedrijfsleven en het consumentenrecht. Zo gelden er bijvoorbeeld taalbepalingen voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van ondernemingen of voor de prijsaanduiding. Ook moeten ondernemingen dwingend voorgeschreven etikettering opstellen in een taal die begrijpelijk is voor de gemiddelde consument en rekening houden met het taalgebied waar ze de goederen of diensten aanbieden. Behoudens in deze en een beperkt aantal andere uitzonderingsgevallen mogen handelaars en bedrijven zelf beslissen welke taal of talen ze gebruiken om hun diensten en producten aan te bieden.
Hoewel ik niet in de mogelijkheid ben geweest om dit binnen de gestelde termijn ten gronde te onderzoeken, lijkt het aannemen van een wet die de aanbieders van bankdiensten op algemene wijze zou verplichten om hun aanbod in alle Belgische landstalen aan te bieden prima facie niet verenigbaar te zijn met de principiële taalvrijheid ter zake, zoals die wordt gewaarborgd door artikel 30 van de Grondwet. Indien de Kamer de opportuniteit van het aannemen van een dergelijke wet wil bestuderen, zou ze in elk geval moeten nagaan of een dergelijke wet al dan in overeenstemming is met artikel 30 van de Grondwet. Dienaangaande zou de Kamer het advies kunnen vragen aan de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, die belast is met het algemeen toezicht op de toepassing van de bestuurstaalwetgeving in België.
Een dergelijke wetgevende wijziging zou trouwens betrekking hebben op het consumentenrecht, waarvoor ik als staatssecretaris voor Gelijke Kansen niet bevoegd ben. Deze materie behoort tot de bevoegdheid van de minister van Economie en Werk en van de staatssecretaris voor Begroting en Consumentenzaken.
Tenslotte wil ik de commissie voor de Verzoekschriften aanraden om, als dat nog niet gevraagd is, ook het advies in te winnen van het Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de Rechten van de Mens, dat bevoegd is voor alle aangelegenheden die verband houden met de fundamentele rechten die onder de federale bevoegdheid vallen behalve die door de sectorale instanties voor de bevordering en de bescherming van de rechten van de mens worden behandeld.
Antwort der Staatssekretärin für Geschlechtergleichstellung, Chancengleichheit und Diversität, dem Minister der Mobilität beigeordnet:
Ich habe Ihr Schreiben vom 13. November 2024 zu dem oben genannten Thema mit besonderer Aufmerksamkeit zur Kenntnis genommen.
Der Petent scheint zu unterstellen, dass die Tatsache, dass Bankdienstleister in unserem Land ihre Angebote nicht systematisch in deutscher Sprache anbieten, eine sprachliche Diskriminierung darstellt.
Das Gesetz vom 10. Mai 2007 zur Bekämpfung bestimmter Formen von Diskriminierung (das so genannte Antidiskriminierungsgesetz) verbietet die Diskriminierung aufgrund einer ganzen Reihe von geschützten Kriterien, darunter auch die Sprache.
Dies bedeutet jedoch nicht, dass jede Unterscheidung, die auf der Grundlage eines geschützten Kriteriums getroffen wird, eine Diskriminierung darstellt. Der Begriff Diskriminierung wird verwendet, um eine unmittelbare oder mittelbare Unterscheidung aufgrund eines oder mehrerer geschützter Kriterien zu bezeichnen, die nicht durch die Bestimmungen des Antidiskriminierungsgesetzes gerechtfertigt werden kann.
Unter „unmittelbarer Diskriminierung“ versteht das Antidiskriminierungsgesetz die Situation, in der jemand aufgrund eines geschützten Kriteriums in einer vergleichbaren Situation schlechter behandelt wird, behandelt wurde oder behandelt werden würde. Eine „mittelbare Diskriminierung“ liegt vor, wenn dem Anschein nach neutrale Vorschriften, Kriterien oder Verfahren Personen, die durch ein bestimmtes geschütztes Kriterium gekennzeichnet sind, gegenüber anderen Personen in besonderer Weise benachteiligen können. „Eine unmittelbare oder mittelbare Diskriminierung“ ist dann eine unmittelbare oder mittelbare Unterscheidung aufgrund eines geschützten Kriteriums, die nicht durch die Bestimmungen des Antidiskriminierungsgesetzes gerechtfertigt werden kann (siehe unten zu Rechtfertigungen).
Es ist natürlich nicht meine Aufgabe, zu entscheiden, ob die vom Petenten angeführte Situation, die im Übrigen allgemein beschrieben ist und keinen konkreten Fall betrifft, eine Diskriminierung darstellt oder nicht. Stattdessen obliegt es dem Gericht, zu beurteilen, ob in einem konkreten Fall eine zulässige Unterscheidung oder eine unzulässige Diskriminierung vorliegt. Konkret müsste das Gericht dann entscheiden, ob die Tatsache, dass ein Bankdienstleister seine Dienstleistungen nicht in deutscher Sprache anbietet, eine direkte oder indirekte Unterscheidung aufgrund der Sprache darstellt, die nach den Bestimmungen des Antidiskriminierungsgesetzes gerechtfertigt sein kann oder nicht.
Eine direkte oder indirekte Unterscheidung aufgrund der Sprache beim Zugang zu und bei der Erbringung von Dienstleistungen – wozu auch die Erbringung von Bankdienstleistungen gehört – kann nach dem Antidiskriminierungsgesetz nur durch ein legitimes Ziel objektiv gerechtfertigt werden, wobei die Mittel zur Erreichung dieses Ziels angemessen und erforderlich sein müssen. Dabei handelt es sich um die so genannte Verhältnismäßigkeitsprüfung, die in concreto vom Gericht durchgeführt wird.
In einem ersten Schritt ist zu prüfen, ob mit der Unterscheidung ein legitimes Ziel verfolgt wird. Weder im Antidiskriminierungsgesetz noch in der parlamentarischen Vorbereitung ist festgelegt, wann ein legitimes Ziel vorliegt. Es obliegt dem Gericht, diesen Begriff zu deuten. Die in Artikel 30 der Verfassung vorgesehene Sprachenfreiheit (siehe unten) und die unternehmerische Freiheit könnten möglicherweise als legitimer Grund zur Rechtfertigung einer Unterscheidung zwischen deutschsprachigen und anderen Verbrauchern herangezogen werden.
Anschließend muss geprüft werden, ob die Mittel zur Erreichung dieses Ziels geeignet und erforderlich sind. Tragen die Mittel dazu bei, das erklärte Ziel zu erreichen? Sind keine anderen Mittel möglich, die im Hinblick auf das verfolgte Ziel ebenso wirksam sind und weniger diskriminierende Auswirkungen auf die von den Maßnahmen betroffenen Personen haben? In diesem Zusammenhang könnte zum Beispiel in Erwägung gezogen werden, dass bestimmte grundlegende Informationen über die angebotenen Bankprodukte zumindest in allen Landessprachen zugänglich sein sollten.
In jedem Fall sind private Finanzinstitute derzeit nicht gesetzlich verpflichtet, ihre Angebote und Dienstleistungen in den drei Landessprachen anzubieten. Vielmehr gilt in diesem Fall die in Artikel 30 der Verfassung ausdrücklich garantierte Sprachenfreiheit.
Diese Sprachenfreiheit unterliegt einer Reihe von Ausnahmen, die sich aus dem Sprachenrecht im Geschäfts- und Verbraucherrecht ergeben. So gelten beispielsweise Sprachbestimmungen für die gesetzlich vorgeschriebenen Urkunden und Geschäftspapiere der Unternehmen oder die Preisauszeichnung. Außerdem müssen die Unternehmen die vorgeschriebene Kennzeichnung in einer für den Durchschnittsverbraucher verständlichen Sprache verfassen und das Sprachgebiet berücksichtigen, in dem sie die Waren oder Dienstleistungen anbieten. Abgesehen von diesen und einer begrenzten Anzahl anderer Ausnahmefälle können die Gewerbetreibenden und Unternehmen selbst entscheiden, in welcher Sprache oder in welchen Sprachen sie ihre Dienstleistungen und Produkte anbieten wollen.
Auch wenn ich nicht in der Lage war, dies innerhalb der gesetzten Frist in der Sache zu prüfen, scheint die Verabschiedung eines Gesetzes, das Bankdienstleister generell dazu verpflichten würde, ihre Angebote in allen belgischen Landessprachen anzubieten, prima facie nicht mit der grundsätzlichen Sprachenfreiheit in diesem Bereich vereinbar zu sein, wie sie in Artikel 30 der Verfassung garantiert ist. Wenn die Kammer die Zweckmäßigkeit der Verabschiedung eines solchen Gesetzes prüfen möchte, müsste sie auf jeden Fall prüfen, ob ein solches Gesetz mit Artikel 30 der Verfassung vereinbar wäre oder nicht. In dieser Hinsicht könnte die Kammer den Rat der Ständigen Kommission für Sprachenkontrolle einholen, die für die allgemeine Überwachung der Anwendung der Verwaltungssprachengesetzgebung in Belgien zuständig ist.
Eine solche Gesetzesänderung würde übrigens das Verbraucherrecht betreffen, für das ich als Staatssekretärin für Chancengleichheit nicht zuständig bin. Diese Angelegenheit fällt in die Zuständigkeit des Ministers der Wirtschaft und der Arbeit und des Staatssekretärs für Haushalt und Verbraucherschutz.
Abschließend möchte ich dem Petitionsausschuss raten – falls darum noch nicht ersucht wurde – auch die Stellungnahme des Föderalen Instituts für den Schutz und die Förderung der Menschenrechte einzuholen, das für alle Fragen im Zusammenhang mit den Grundrechten zuständig ist, die in die föderale Zuständigkeit fallen, mit Ausnahme derjenigen, die von den sektoralen Organen für die Förderung und den Schutz der Menschenrechte behandelt werden.
Antwoord van de vice-eersteminister en minister van Economie en Werk (07/01/2025):
Febelfin, dat de Belgische banksector vertegenwoordigt, heeft een snelle enquête uitgevoerd. Daaruit blijkt dat banken die actief zijn in het Duitstalige gebied minstens alle wettelijk vereiste documenten in het Duits verstrekken.
Bovendien is een groot aantal handelsdocumenten ook in het Duits beschikbaar. Wat dit laatste betreft, kunnen er verschillen zijn tussen banken die in en buiten deze regio actief zijn.
Bankmedewerkers in deze regio spreken klanten aan in het Duits.
Het is ook duidelijk dat de banken regelmatig de behoeften van klanten onderzoeken om te zien wat in het Duits kan worden aangeboden.
Artikel VII.21, §1, van het Wetboek van economisch recht over de verplichting van betalingsdienstaanbieders om informatie te verstrekken voorafgaand aan het sluiten van een raamovereenkomst bepaalt dat “dergelijke informatie en voorwaarden in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen en in duidelijke en begrijpelijke vorm worden verstrekt, in de taal van het taalgebied waarin de betalingsdienst wordt aangeboden of in een andere taal die door de partijen is overeengekomen”.
Artikel VII.4/1, §2 van de COB bepaalt dat het document met de prijsinformatie dat aan de consument wordt verstrekt “4° wordt opgesteld in de officiële taal van de plaats waar de betaalrekening wordt aangeboden of, indien de consument en de betalingsdienstaanbieder dit overeenkomen, in een andere taal”.
In overeenstemming met deze artikelen kan de keuze van de gebruikte taal worden afgeleid uit de plaats waar het contract is gesloten en volgens het taalgebied of in onderling overleg tussen de partijen worden bepaald
Deel: